België : Dossier Euthanasie in Kerk en Leven

Publié le par cb

IEVE VALCKE werkte als vroedvrouw in een Antwerps ziekenhuis, toen zo’n vijftien jaar geleden bij haar moeder dementie werd vastgesteld. “We zagen de eerste tekenen wel, maar beseften niet de draagwijdte. Alsof de ziekte er niet is, zolang je ze geen naam geeft”, vertelt Lieve. Tot de huisarts erbij diende gehaald. „Moeke, die altijd zo lief en zacht was, die nooit haar stem verhief, werd steeds stouter. Ze sloeg, ze beet, ze spuwde.” De helft van de tijd woonde moeder bij Lieve, de andere helft bij Lieve’s zus. „Moeke was hier heel graag”, glimlacht Lieve bij de herinnering. „Ik zette haar eten klaar in de koelkast en vertrok daarop naar mijn werk. Bij mijn thuiskomst ’s avonds zat ze op me te wachten met de koffie en de krant. Ik vertelde dan over de voorbije dag, en we kletsten en lachten heel wat af.”

Op een dag echter bleek moeder helemaal over haar toeren. „’Mooie dochter ben jij!’, beet ze me toe. ‘Je moeder hier de hele dag zonder eten laten zitten!’ De maaltijd in de koelkast had moeke niet gevonden.” Stilaan besefte Lieve dat ze haar moeder niet langer alleen kon laten. Gelukkig vond ze steun bij familie en vrienden zowel als in haar geloof. „We konden voor moeke zorgen, omdat we op velen konden rekenen. Ikzelf, mijn zus en haar vier kinderen, onze vroegere poetsvrouw, een winkeljuffrouw, een buurvrouw. We wisselden elkaar af. Altijd al hadden we een prima verhouding met moeke en in onze familie heerste grote samenhorigheid. Dat maakte het volhouden makkelijker.” Onmiddellijk voegt ze eraan toe: „En we keken allen in dezelfde richting. Moeke had zorgen nodig en die zouden we haar geven. Haar hele leven had zij voor ons gezorgd, nu was het onze beurt.”

Dat is vandaag niet langer vanzelfsprekend, beseft Lieve. „Heel wat mensen kunnen het niet meer opbrengen om voor een ander te zorgen. Ze hebben slechts aandacht voor hier en nu, waardoor zorgen voor een ander tot een last wordt.” Dat doet Lieve vraagtekens plaatsen bij een eventuele uitbreiding van de euthanasiewetgeving. Dat zou een uitweg kunnen bieden aan wie de zorg voor een dementerende of terminaal zieke op nam, maar die zorg als een last is gaan ervaren. En Lieve Valcke waarschuwt: „Dan gaat het niet meer om euthanasie en wordt het moord.”

Dat het soms zwaar is, ontkent Lieve niet, maar nooit ervoer ze de zorg voor haar moeder als een last. Integendeel. Zelf erg reislustig, nam ze moeke overal met zich mee. „Daar kon ze zo van genieten. Toen we eens in Lugano op een terrasje zaten, zei ze dolgelukkig: ‘Hier in Waasmunster is het toch mooi, hé!’” Gaandeweg leerden Lieve, die na een hersentrombose haar baan opgaf en als vrijwilligster geregeld zieken ging bezoeken, en haar omgeving hoe ze met moeder moesten omgaan. „Het beste medicijn bleek humor. Ergens om kunnen lachen, dat neemt de spanning weg. Gelukkig ben ik optimistisch van aard. Had moeder opnieuw iets uitgehaald, dan maakte ik daar een grappig verhaal van.” En het was ook niet altijd kommer en kwel, benadrukt Lieve. „Moeke had natuurlijk ook goede momenten. Vooral als er bezoek was, leek er vaak niets aan de hand en kon ze vrolijk mee babbelen. Het zijn deze momenten die je bijblijven.”

Palliatieve zorg

Moeders verstand functioneerde  dan wel niet meer naar behoren, haar gevoel deed het nog prima, weet Lieve. „Ze kon ontzettend genieten van haar eten. Als je haar ’s ochtends koffie zag drinken, straalde ze tevredenheid uit. ‘Het eten smaakt toch zo lekker hier!’ lachte ze. Dan voelde ik me van binnen helemaal warm worden. Dat ik haar nog zo gelukkig mocht maken.”

Lieve bleef ook heel bewust haar sociale leven onderhouden. „Ik ging vaak naar concerten, maar als moeke bij me was, bleef ik thuis. Wel bleef ik al mijn vrienden uitnodigen. Ik verstopte moeke niet. Mijn vrienden wisten dat en aanvaardden dat. Ze beseften dat ook dit een stuk van het leven is.” Terzelfder tijd bleef Lieve geregeld zieken bezoeken. „Zo praatte ik vaak met een alleenstaande dame die acht maanden doorbracht op de afdeling palliatieve zorgen.

Dankzij pijnbestrijding en comfortzorg werd de pijn zo goed als weggenomen en had ze opnieuw controle gekregen over haar leven.”  Daardoor kon ze opnieuw genieten van een goed boek, putte ze plezier in het maken van een praatje, was ze dankbaar voor een bloemetje en een kaartje dat Lieve haar geregeld zond. „Dankzij de goede zorgen waarmee ze omring werd, voelde ze geen nood om euthanasie te vragen. ‘Ik ben zo gelukkig dat ik hier mag sterven’, vertrouwde ze me toe. Nog altijd gaat er veel te weinig aandacht naar palliatieve zorg. Mensen hebben er een verkeerd beeld van. Voor velen heeft het de bijklank van de dood, terwijl net wordt gestreefd naar een kwaliteitsvolle invulling van de laatste momenten van je leven.” Evelien Lust, Help JIJ mij leven tot ik sterf?, Halewijn, Antwerpen, 2008 (tweede druk), 71 blz., 13 euro, ISBN 978 90 8528 056 9.

 

De kracht van nabijheid

Ilse Van Halst Zorgen voor een ziek familielid is in onze hectische prestatiemaatschappij meestal een taak bovenop een volle dagtaak. Toch zijn er talloze echtgenoten, moeders, vaders, broers en zussen die zonder veel boe of bah de zieke liefdevol omringen en mee diens lijdensweg gaan in alle waardigheid en rust. Dergelijke diepmenselijke nabijheid en begrip maken de vraag naar euthanasie veelal overbodig. Kerk en Leven 20080428

Commenter cet article